'Kopt binnen': 'Patsen met een prøgnøse'

08 oktober 2014 | StefanS | .... kopt binnen

Zonder enige moeite herkent u zijn eigengereide voorkomen zodra hij, kroelend onder de warmte van wat studiolampen, zich in zijn natuurlijke habitat voortbeweegt. Basisuitrusting van deze ondersoort is een blik koffiedik, een horloge rond de 10k, autobiografie van Nostradamus, een kunstmatig gebruinde huid en een opgepoetste verrekijker waarmee hij in de weekenden naar zijn beeldbuis tuurt. Zodra de camera’s op hem zijn gericht slaat deze variëteit in het menselijke ras zijn veren uit. Pronkend met wat thuisbedachte zinnen laat hij zien wat u en ik thuis niet hebben gezien: de voetbalanalist op zijn best.

De voetbalanalist floreert in momenten die de ‘gewone’ kijker door selectieve blootstelling heeft weggefilterd. Een slecht genomen aftrap, een scheve looplijn van een aanvaller na een 6-1 stand, of een trainer van een degradatieteam die na een zinderend slot van de wedstrijd twijfelt aan zijn Axe moment, zijn beide armen kruislings onder zijn oksels steekt en besluit de odeur eens diep op te snuiven. Na zo’n moment overschreeuwt de analist met een orgastische extase zijn collega’s en spuugt met een forse fluim zijn analyse op de cameralens. Alles om te laten zien waarom hij wel tot dit superieure ras mensch (met s-c-h) behoort en niet u, de geminachte kijker.

Eens in de zoveel tijd legt dit homo sapien van de buitencategorie een ei: een voorspelling van een talentje die ons niet was opgevallen maar waarvan hij zeker weet dat deze jongen gaat uitkomen en vervolgens iedereen zal verbazen. Iedereen behalve de voetbalanalist. Want de voetbalanalist heeft een oog, niet zo’n oog zoals u en ik. Nee, een heus oog. Met pupillen enzo. De voorspelling hoeft niet eens te kloppen. Mislukt het talent dan pakt hij net zo makkelijk weer een ander talent dat, voordat hij zijn beugel heeft kunnen aanschroeven, de hemel wordt ingeprezen en na drie mindere wedstrijden tot het vagevuur is verdoemd. Ik wissel zelf niet zo makkelijk en wacht nog steeds geduldig op de doorbraak van Zuiverloon, De Zeeuw, Jozefzoon en Van der Gun. Breken ze niet als veldspeler door dan doorbreken ze wel een taboe om tijdens Spuiten en Slikken te vertellen hoe zij een armblessure opliepen doordat ze collectief het doucheputje op de training verstopten.

Normaliter heb ik een bloedhekel aan dat prognosticeren van analisten die de toekomst voorspellen van jochies die pas sinds vorige maand legaal op de brommer naar de training mogen komen. Helaas voor mijn principes ga ik eens volop mee met de hype. Dit komt door een klein 15-jarig ventje die mijn voetbalhart overuren laat draaien. Op het oog is het weinig bijzonders: een klein menneke met blond piekhaar en een lichtelijk centenbakje. Aan de bal wordt duidelijk dat het woord ‘talent’ een ontoereikende karakterisering is. Ziekenhuisballen worden geheeld aan zijn voet, het mannetje truct, dolt, past en laat verdedigers happen alsof ze hongerig zijn naar een stuk ontbijtkoek. Het feit dat mannen met een dubbele leeftijd ballen bij hem inleveren zegt genoeg. In het veld leeft de hiërarchie van de meeste controle en Martin Ødegaard regeert vanaf de nummer 10 positie.

Wat mij het meest aanspreekt is het plezier dat hij uitstraalt. Wellicht met een Oost-Indische doofheid doet hij alles waar beginnende CIOS-trainers in een vroeg stadium van zijn carrière de doodstraf op hebben gelegd. Al in de jeugd hoeft een balletje maar frivool op de hak te vallen en dan hoor je over het knollenveld: ‘Hou het zakelijk! Het is hier geen circus.’ Deze jeugdtrainers zijn de doodsteek voor de voetballers van morgen. Dat collectieve veldspel, dat degelijke getik. Daarvoor kom ik niet naar het stadion. Ik wil bravoure, lef. Het mag van mij mislukken. Zolang ik maar acties zie waarvan ik al verkleumend op dat plastic k*t stoeltje in het stadion denk: ‘Ja, ongekend. En daarom sta ik niet op dat veld. Dat had ik nooit gekund.’

Ødegaard heeft dat in zich. Ik zie trucjes waarvan mijn 'transformer-benen' zouden dichtklappen en wat hij doet is niet puur voor de mooiigheid. Ødegaard koppelt effectiviteit aan de esthetiek. Een vernuftige samenkomst die ervoor zorgt dat toeschouwers op het puntje van de stoel gaan zitten wanneer hij aan de bal is. Alles kan gebeuren en daarom laten trainers hem maar dartelen over het veld. Toegegeven, hij speelt bij Strømsgodset IF te Noorwegen. Ik baseer mijn mening op zijn debuteren in het Noorse nationale elftal en verschillende compilaties. Het spijt me, maar ik kijk nog liever de 45 minuten naar een diepte-interview waarin Danny de Munck met een snik verkondigt dat zijn familieband niet optimaal is en de andere 45 minuten ‘Krijg toch allemaal de kolere’, in een megamix versie zingt, dan dat ik een wedstrijd ga kijken uit de Noorse competitie.

En daarom denk ik dat een baantje als voetbalanalist mij wel zal passen. Mijn werkwijze divergeert nauwelijks van dit ras. Een uitstekende conditie omdat ik zover op de feiten vooruitloop, een uitgesproken mening die balanceert op vloeipapier en natuurlijk zal ik mijn moment van glorie pakken zodra dit wonderkind over een paar jaar de superster zal worden die ik nu voorspel. Mocht u nog steeds deze column lezen maak u dan maar klaar voor een: ‘Ik zei het toch?’


 

FacebookTwitterGoogle+
Deel dit met vrienden via:
TwitterFacebookGoogle+WhatsApp

Bekijk ook..

Reageer

> > >
'Kopt binnen': 'Patsen met een prøgnøse'